Dr. H.C. van der Meulen
Een aangevochten zinsnede uit de kerkorde
Onopgeefbaar verbonden

De relatie kerk en Israël staat de laatste tijd sterk in de belangstelling. Omdat we Israëlzondag vieren, de eerste zondag in oktober, nabij de joodse najaarsfeesten, maar er is meer . . .

In de aanstaande novembervergadering buigt de synode zich over een nota over dit onderwerp. Daarin zal het zeker ook gaan over de vraag hoe we de zinsnede uit de kerkorde 'onopgeefbaar verbonden met het volk Israël' moeten verstaan. Is die dan niet duidelijk? Er ging een lang proces van bewustwording en een reeks van discussies vooraf aan deze formulering. De situatie in het Midden-Oosten werpt voor velen echter een donkere schaduw over het thema. Vooral het 'onopgeefbaar verbonden' doet de meningen in de kerk uiteenlopen.
Ze is de afgelopen jaren ook in sterke mate in het politieke vlak getrokken. Nu kan en mag de bezinning op de verhouding tussen kerk en Israël het politieke aspect niet buiten de deur houden. De handreiking Israël, Volk, land en staat (1970) heeft dat besef ook expliciet verwoord. Maar wél in de juiste volgorde en met onderscheid: de kerk weet zich verbonden met dat volk en dat land. Dat is een geloofsverbondenheid, die tot het merg van de confessie behoort. Zulke kloeke geloofstaal gebruiken we niet als het over de staat Israël gaat. Maar wie het gesprek met Israël zoekt, zal het ook in de gestalte van deze staat tegenkomen.

Sabeel
Recent werd de positie van de Palestijnse christenen onder de aandacht gebracht. In ons blad schreef Meta Floor hierover, thans in Jeruzalem werkzaam voor Sabeel, een Palestijns oecumenisch centrum voor bevrijdingstheologie. Naar eigen zeggen is het doel van de stichting het werken aan gerechtigheid en verzoening tussen Israëliers en Palestijnen. Op hun website staat hoe men zich dit voorstelt, o.a. in een verklaring over de 'veertig jaar durende Israëlische bezetting'.

Israël is de grote boosdoener en staat een leven in vrede en gerechtigheid in de weg. Dat Israël vanaf de stichting van de staat in 1948 vecht voor zijn bestaan, dat het tot op de huidige dag geconfronteerd wordt met machten die op zijn vernietiging uit zijn en dat het daarom in een heilloze spiraal van zich beveiligen (tot en met checkpoints, muur, hekwerk) is getrokken, wordt niet vermeld.

Dat door de eerste bestaansoorlog van de nieuwe staat Israël driekwart miljoen Palestijnse Arabieren (nu: Palestijnen) hun huis en haard kwijt raakten, mag niet uit ons geheugen verwijderd worden. Maar dan moet wel het hele plaatje getoond worden. Niet de stichting van de staat Israël leidde tot deze ontvolking, maar de door de Arabische buurlanden begonnen oorlog.

Rede dr Henri Veldhuis
Het werk van Sabeel is recent over het voetlicht gebracht door de nieuwe stichting Vrienden van Sabeel Nederland. Bij de start hiervan hield dr H. Veldhuis, predikant te Culemborg, een rede, waarin hij aandacht vroeg voor de Palestijnen, voor de Palestijnse christenen in het bijzonder, en scherpe kritiek uitte op het 'onopgeefbaar verbonden met het volk Israël' van de kerkorde. Dit heeft volgens Veldhuis 'gewerkt als een ideologische sluier, waardoor het lot van de Palestijnen niet of nauwelijks werd gezien'. 'Wat is onze verbondenheid met het joodse volk waard, als we ons niet eens verbonden weten met onze Palestijnse mede-christenen', aldus Veldhuis. In plaats van 'onopgeefbaar verbonden met het volk Israël' pleit hij voor het spreken van verbondenheid met 'het volk van de Torah', dat wil zeggen met de joden die naar de wet van God leven, zo een aloude tegenstelling creërend tussen Israël als concreet historisch volk en een 'geestelijk Israël'. Wat bij Paulus in Romeinen 9-11 onderscheiden en bij elkaar gehouden blijft en wat de handreiking-1970 ook poogt te verwoorden, wordt zo uit elkaar getrokken.

Als het om Israël gaat, 'heel Israël', horen 'natie' en 'notie' echter bijeen. Dat hangt met het unieke karakter van dit volk samen. Dat die twee-eenheid kan worden misverstaan (en misbruikt), kunnen we niet alleen reeds in de handreiking van 1970 lezen maar is al eeuwen eerder aan de orde gesteld door profeten als Amos en Jeremia.
Deze in de traditie der profeten gewortelde zelfkritiek wens ik Sabeel ook toe. Hierbij denk ik aan de al eeuwenlang onderwezen vervangingsleer (de kerk in de plaats van Israël) of het gedurig voeden van anti-joods denken en haatgevoelens in de Arabische wereld, in tv-programma's en lesmateriaal op school.

In welk spoor verder?
Wat doen we voor de kerken in het Midden-Oosten? Ik houd de vraag maar dicht bij mezelf. Heb ik oog voor de christelijke broeders en zusters in het Midden-Oosten? Als opgroeiende knaap heb ik van mijn vader enig 'zicht op Israël' ontvangen.
Hij was een trouw lezer van het blaadje van de Morgenlandzending en ging voor het werk van deze zending ook op pad. De Confessionele Vereniging heeft ook een link met deze zending. En ik steun het werk van de NEM (Near East Ministry), die wél in staat blijkt 'Israëltheologie' én liefde voor de Arabische broeders en zusters daar te combineren. Dat is een spoor, waarin we verder zouden kunnen komen.

Confessioneel - 119e jaargang nr. 18, 11 oktober 2007


Reactie van Henri Veldhuis
Claire, bijvoorbeeld

     

Omdat een aantal kritiekpunten op mijn Sabeel-lezing telkens terugkomt, plaats ik hier enkele kanttekeningen bij het artikel van H.C. van der Meulen.

Concreet versus geestelijk?
In mijn Sabeel-lezing maak ik onderscheid tussen het Joodse volk als etnisch gegeven en als 'volk van de Thora'. Van der Meulen stelt dat ik daarmee de oude tegenstelling creëer tussen tussen Israël als concreet historisch volk en een 'geestelijk Israël'.
Maar het tegendeel is het geval. Ten eerste deel ik met Van der Meulen de overtuiging dat God in zijn blijvende trouw graag verder wil met héél het etnische Joodse volk, dus dat in die zin het héle etnische Israël is uitverkoren.
Maar die uitverkiezing heeft de bedoeling, dat het etnische volk onder beslag komt van de Thora, daardoor gevormd wordt, hetgeen tevens een relativering betekent van de etnische eigenschappen van dat volk (zoals dat ook geschiedt bij de heidenen die na Pinksteren tot geloof komen).
Voor zover het etnische Joodse volk inderdaad gevormd wordt tot 'volk van de Thora', wordt het niet alleen maar een 'geestelijk volk'. Integendeel, het blijft even aards en concreet als tevoren. Sterker nog, en dat is geheel in de lijn van het Joodse religieze denken, leven volgens de Thora maakt ons juist concreter, - dat is vleeswording van Gods Woord.

Onopgeefbaar
In lijn met bovenstaande meen ik, dat we als kerk alleen onopgeefbaar met Israël verbonden kunnen zijn in zoverre het Joodse volk zichzelf ook gebonden weet aan de Thora en het Verbond waarin Gods verkiezing zich wil realiseren. Geloofsverbondenheid is verbondenheid op basis van gedeeld geloof in Hem die ons verbindt. Bovendien, als wij onopgeefbaar verbonden zouden zijn met heel het etnische volk dat uit Abraham is voortgekomen, zijn we dan ook zo verbonden met de nakomelingen van Ezau, met de tien stammen die verdwenen zijn in Assyrische ballingschap, met de Samaritaanse gemeenschap in het huidige Israël die afstamt van de tien stammen, etc?
Met elke gelovige die aanspreekbaar is op de Schrift ben ik onopgeefbaar (al hoeft dat woord er voor mij niet bij) verbonden; en elk mens ter wereld kan mijn naaste zijn. Dat te zeggen en te geloven is helemaal genoeg.

Sabeel
Het beeld dat H.C. van der Meulen schets van Sabeel is erg tendentieus. Een ieder die open staat voor een genuanceerder beeld, verwijs ik graag naar het weblog van Meta Floor, die daar behoedzaam vertelt over haar ervaringen als medewerker van Sabeel.

De grote boosdoener
Kort maakt Van der Meulen enkel opmerkingen over de stichting van de staat Israël, en wijst de Arabische buurlanden aan als de grote boosdoener.
Hoe ongenuanceerd Van der Meulens visie is, mag blijken uit de recente studie van de Joodse historicus Ilan Pappé: The Ethnic Cleansing of Palestine (De etnische zuivering van Palestina). Pappé hoort bij een nieuwe stroming van Israëlische historici die aantonen, dat de geschiedenis van het moderne Israël minder mooi en heroïsch is als velen graag denken. Onder veel Israëlische natuurparken ligt het drama van honderden ontvolkte en verwoeste Palestijnse dorpen. En uit talrijke documenten blijkt dat de Israëlische leiders er van meet af aan op uit waren de Palestijnse bevolking te verdrijven.

Lesmateriaal
Van der Meulen wijst op het voeden van anti-joods denken in Arabisch lesmateriaal. In een aantal Arabische landen gebeurt dat zeker, maar wat betreft de Palestijnse scholen verwijs ik graag naar een recente column van Toine van Teeffelen (zie ook aanvullende informatie). Daaruit blijkt dat we gemakkelijk Joodse lobbyisten napraten die hun best doen alles wat Arabisch of Palestijns is in een kwaad daglicht te stellen.

Hoe nu verder?
Van der Meulen vindt dat we niet moeten vergeten dat driekwart miljoen Palestijnen hun huis en haard zijn kwijt geraakt. Maar hij onderkent niet dat Palestijnen nog steeds ernstig onrecht wordt aangedaan, ondanks bijv. diverse resoluties van de VN. Ook geeft hij niet aan hoe de Palestijnse slachtoffers (Claire, bijvoorbeeld) hun recht kunnen vinden, en hoe wij, als Nederlandse christenen, daarbij kunnen helpen.